Inleiding
Inleiding Abraham
Stamboom Abraham + uitleg namen
De verhalen van Abraham uit de Bijbel
Vindplaats verhalen Abraham in de Bijbel
Situering plaatsen
Isaak
Jakob
Jozef

Inleiding

In deze wiki zullen wij jullie meer bijbrengen over de aartsvaderen: Abraham, Isaäk, Jacob & Jozef. Zij zijn de voorouders van het jodendom. Zij legden de basis voor het jodendom. Hierbij leggen we vooral de nadruk op Abraham. We volgen de volgorde van de stamboom en beginnen dus met Abraham, de eerste aartsvader.

Inleiding Abraham

Met Abraham begint de geschiedenis van het joodse volk als gemeenschap van gelovigen. Abraham is dus de voorvader/stamvader/aartsvader van het volk van Israël. Hij wordt beschouwd als de vader der gelovigen. Abraham was een Hebreeër en de eerste aartsvader.
Abraham staat aan het begin van de monotheïstische cultuur! Hij was de eerste die geloofde in 1 God.

Abraham vinden we zowel terug in de Tenach (joden), Bijbel (christen) als ook in de Koran (moslims). Voor al deze drie geloofsovertuigingen wordt Abraham gezien als aartsvader/stamvader. Abraham is dus niet enkel bij ons, christenen, bekend als stamvader.

Als we over Abraham spreken, moeten we rekening houden met de historische achtergrond van deze figuur. We kunnen hem niet echt beschouwen als een historisch figuur omdat er ook niet echt bronnen van hem zijn. We hebben natuurlijk wel de verhalen uit de Koran, de Bijbel en de Tenach. Maar we moeten hem meer zien als een legendarisch figuur voor het geloof. Het verhaal van Abraham gaat dan ook meer over Israëls autobiografie: een geschiedenis van het volk van God.

Abraham zou afkomstig zijn uit de stad Ur/Oer bij Haran (bovenloop van de Eufraat en de Tigris in Mesopotamië). Hij wordt door God geroepen om het land te verlaten (zie later).
Haran is niet enkel een plaats, de broer van Abraham heet ook Haran.

Abraham wordt gesitueerd ten tijden van het Sumerische rijk en is een afstammelingen van het geslacht van Noah.

Als Abraham klein is, moet hij van Terach beeldjes verkopen. Deze beeldjes zijn verschillende goden. Maar het lukt Abraham niet om deze beeldjes te verkopen want hij gelooft er niet in
Als Terach weg is, slaat Abraham alle beeldjes stuk, behalve het grootste beeld laat hij heel. Abraham zegt Teracht dat het grootste beeld al de kleine beeldjes kapot heeft gemaakt (er kan maar 1 God zijn). Terach gelooft dit niet. Abraham zegt hem: “Als ze dat toch niet kunnen, waarom geloof je er dan in?”

Abram wordt Abraham op het moment dat hij de opdracht krijgt van God om aartsvader te worden.
Abram betekent: grote vader
Ab-ba = naam voor God: “vader”
Abraham betekent: vader van de gezonde menigte: hij wordt vader van een volk

Sarai verandert dan ook in Sara
Sarai betekent: prinses van mij, prinses van Abraham
Sara betekent: prinses à (“van mij” wordt weggelaten): prinses van het volk: aartsmoeder van het volk

Stamboom + uitleg namen

stamboom abraham.jpg
Bron: Section One - Adam to Abraham. (1999). Opgeroepen op maart 2011, van Genealogy of Jezus: http://www.abetterhope.com/whois/gen-2.html (Is vertaald en aangepast door Kaatje Hannes)


Namen
Betekenis
Tenach
- Vader van Abraham
Abram
- = vader
- Vind je ook terug in de benaming van God door Jezus: Ab –ba / Vader
Abraham/ Abram
- Vader van de gonzende menigte. (=bij geboorte en besnijdenis Isaak)
Sarah ( Sarai)
- Dit is de eerste benaming van de vrouw van Abram/Abraham.
= Prinses van mij.
- Wanneer Abraham aartsvader wordt, verander Sarai in Sarah:
= Prinses van het volk.
Isaak
- Hij die lacht.
Ezua
- Tweelingsbroer van Jakob.
- = de harige/ eerste zoon.
Jakob
- Ontvangt via een list het eerstegeborenrecht.
- Is een bedrieger maar komt niet terug in zijn naam.
- = hij die nadien komt (hij is jongste)
Israël
- Jakob wordt als Israël gezegend. Hij worstelt er met een engel en dit komt ook terug in de betekenis van zijn naam.
- = hij die vecht met een machtige God/ strijder.
Rachel
- Dochter van Laban.
- Vrouw van Jakob.
- Heeft met Jakob 2 kinderen: Benjamin en Jozef.
Jozef
- Zoon van aartsvader Jakob ( de favoriete zoon).
- Verkochten hem als slaaf ( zie verhaal Jozef).
- = Hij die toegevoegd wordt aan de kinderen van Jakob (OT).
- = als man Maria (NT)
Rebekka
- Vrouw van Isaak.
- = vastbinden, touw:
  • Door haar schoonheid kon ze een man aan zich binden.
  • Stevig vastbinden van het vee.

Het "leven" van Abraham uit de Bijbel

De roeping van Abram
De HEER geeft Abram de opdracht om weg te trekken uit zijn land, zijn stam en zijn ouderlijk huis naar het land dat Hij hem zal aanwijzen. De HEER belooft Abram dat hij een groot volk van hem zal maken, Hij zal hem zegenen en zijn naam groot maken.
Zoals opgedragen verliet Abram zijn land, samen met zijn vrouw Sarai en Lot (de zoon van zijn broer Haran). Abram ging op weg naar Kanaän. In Kanaän trok Abram het land in, tot bij de heilige plaats van Sichem, de eik van More. Kanaänieten waren ook nog in het land. De HEER verscheen weer aan Abram en zei hem: “Aan uw nakomelingen zal Ik dit land in bezit geven.’
Abram richtte een altaar op voor de HEER.
Toen trok hij verder naar het gebergte ten oosten van Betel, sloeg zijn tenten op tussen Betel in het westen en Ai in het oosten, richtte een altaar op voor de HEER en riep de naam van de HEER aan. Daarna trok Abram verder naar de Negeb toe.

Abram en Sarai in Egypte
Abram trok naar Egypte o.w.v. een hongersnood in het land. Voor Abram Egypte binnen trad, zei hij tegen zijn vrouw dat als de Egyptenare zouden vermoeden dat Sarai zijn vrouw is, dat de Egyptenaren hem dan zullen vermoorden. Daarom moest Sarai de Egyptenaren zeggen dat zij de zus van Abram was.
De Egyptenaren zagen inderdaad hoe mooi Sarai was. De farao liet Sarai in zijn huis brengen. Door Sarai, werd ook Abram goed behandeld. Aan hem werden schapen, runderen, ezels, slaven en slavinnen en kamelen geschonken. De farao kwam er achter dat Sarai de vrouw was van Abram en ze werden met al hun bezittingen de grens over gebracht.

Abram en Lot
Abram en Sarai trokken dus met al hun bezittingen uit Egypte weg, de Negeb in. Lot ging met hen mee. Van Negeb trok hij verder naar Betel, naar de plek tussen Betel en Ai (waar zijn tenten ook in het begin stonden). Naar de heilige plaats, waar hij een altaar had gemaakt. Hier riep Abram de HEER aan.
Ook Lot had, net als Abram, veel bezit bij zich (schapen, runderen, tenten). Hun bezit was zo omvangrijk dat ze niet bij elkaar konden blijven. Hierdoor ontstond botsing tussen de herders van Abram en die van Lot. Abram zei tegen Lot dat ruzie maken geen goed plan was, hij zei dat Lot beter weg zou gaan, als Lot naar links ging, dan zou Abram naar rechts gaan (en omgekeerd). Lot keek even goed rond en zag hoe rijk aan water het land langs de Jordaan was, dus daarom koos Lot heel het land langs de Jordaan en ging dus oostwaarts. Zo scheidden de beide broers.
Abram bleef in Kanaän wonen.
Nadat Lot was weggegaan zei de HEER tegen Abram: “Laat uw blik rondgaan en kijk vanaf de plaats waar u staat naar het noorden en het zuiden, het oosten en het westen. Als het land dat u ziet, schenk Ik aan u en aan uw nageslacht, voor altijd. Ik zal uw nakomelingen zo talrijk maken als het zand op de aarde. Alleen iemand die het zand op de aarde kan tellen, zal uw nakomelingen kunnen tellen. Ga het hele land door in de lengte en de breedte, want Ik schenk het aan u!”.
Abram sloeg zijn tent op en ging bij de eik van More te Hebron wonen. Hier richtte haar ook weer een altaar voor de Heer op.

Abram en Melchisedek
Toen Abram hoorde dat Lot (zoon van zijn broer) gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren op om zich te wapenen. Hij ging de vijand achterna tot bij Dan. Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van de verschillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus. Hij heroverde alle goederen; ook Lot en zijn bezittingen, evenals de vrouwen en het krijgsvolk, bracht hij terug.
Na zijn terugkeer uit de slag tegen Kedorlaomer en bondgenoten, trok de koning van Sodom Abram tegemoet. Melchisedek (de koning van Salem), bood hem brood en wijn aan (omdat hij priester was). En hij zegende Abram met de volgende woorden:
“Gezegend zij Abram door de allerhoogste God die de hemel en de aarde gemaakt heeft, en gezegend zij de allerhoogste God die uw vijand aan u heeft uigeleverd.”
De koning van Sodom vroeg aan Abram alleen de mensen terug, de buit mocht hij houden. Maar Abram zei tegen de koning van Sodom dat hij niets van hem wou hebben.
Gods verbond met Abram
Abram krijgt een visioen waarin het woord van de HEER klonk. “Vrees niet Abram, Ik zal uw schild zijn. Uw loon zal zeer groot zijn.
Toen zijn Abram: “Heer GOD, wat heb ik aan uw gaven? Want ik blijf maar kinderloos en de Damascener Eliëzer zal de bezitter van mijn huis worden.” “U hebt mij geen nakomelingen geschonken, en een ondergeschikte zal mijn erfgenaam zijn. Toen werd het woord van de HEER tot hem gericht: “Niet hij wordt uw erfgenaam; uw erfgenaam zal iemand zijn die u zult verwekken.
De HEER liet Abram naar de hemel kijken verzekerde hem dat zijn nageslacht zo talrijk zal zijn als de sterren aan de hemel.
Sarai was dus onvruchtbaar en Abram had nog steeds geen nageslacht.
De HEER sloot een verbond met Abram. Hij zei: “Aan uw nakomleingen schenk Ik dit land, vanaf de beek van Egypte tot aan de Grote Rivier, de Eufraat, het gebied van de Kenieten, Kenizzieten, Kadmonieten, Hethieten, Perizzieten, Refaïeten, Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten.

Ismaël en Hagar
Sarai was dus onvruchtbaar en had Abram nog geen kinderen kunnen geschenken. Abram en Sarai hadden een Egyptische slavin: Hagar. Sarai geeft Abram de opdracht om naar de slavin Hagar te gaan, zij kan misschien een zoon schenken.
Abram gehoorzaamde en had gemeenschap met Hagar. Hagar werd zwanger.
Toen Hagar merkte dat ze zwanger was van Abram, begon zij haar meesteres (Sarai) hooghartig te behandelen. Daarom zei Sarai tegen Abram dat hij aansprakelijk was voor het onrecht dat haar werd aangedaan. Abram zei tegen Sarai dat ze met Hagar kon doen wat ze wilde, ze maakte het leven van Hagar zo onaangenaam dat zij van haar wegvluchtte.
De engel van de HEER vond Hagar bij een waterbron in de woestijn. De engel van de HEER vroeg aan Hagar waar ze vandaan kwam en waar ze naartoe ging. Daarop zei Hagar dat ze gevlucht was bij haar meesters Sarai. De engel van de HEER zei tegen Hagar dat ze terug moest gaan om haar meesters Sarai te dienen. De engel zei ook nog dat hij haar nakomelingen zeer talrijk zal maken, zo talrijk dat ze niet meer te tellen zijn.
De engel verzekerde haar dat ze een zoon zal baren en hem Ismaël noemen.
Hagar baarde daadwerkelijk een zoon voor Abram die Ismaël heette.

De besnijdenis (Abram wordt Abraham, Sarai wordt Sara)
Op 99-jarige leeftijd verscheen de HEER weer aan Abram en zei hem: “Ik ben God de Almachtige, richt uw schreden naar Mij en gedraag u onberispelijk. Ik wil mijn verbond met u sluiten en u zeer talrijk maken.
Abram boog diep neer. God sprak tot hem: “Dit is mijn verbond met u: u zult de vader worden van een menigte volken. U zult niet langer Abram heten; uw naam zal Abraham zijn, want Ik heb u vader gemaakt van vele volken. Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelf koningen zullen uit u voortkomen. Ik sluit mijn verbond met u en uw nakomelingen, generatie na generatie, een altijd durend verbond. Ik zal uw God zijn en God van uw nakomelingen. Heel Kanaän, het land waar u nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.
God zei ook nog tegen Abram dat hij het verbond moest onderhouden, hij en zijn nakomelingen.
Het verbond: alle mannelijke personen moeten besneden worden. Dit zal het teken zijn van het verbond van God met Abraham.
Al de mannelijke kinderen moeten vanaf hun 8 dagen besneden worden, generatie na generatie. Dit geldt niet alleen voor zijn stam, maar ook voor iedereen die in zijn huis is geboren of door hem gekocht is.
Iedereen die hier niet aan mee doet, moet uit de stam verwijderd worden.
Sarai zal ook niet meer Sarai heten, maar wel Sara. God zei tegen Abraham dat hij uit haar een zoon zal schenken. Koningen van volken zullen uit haar voortkomen.
Abraham moest hiermee lachen, hij dacht bij zichzelf dat het onmogelijk was een man van honderd jaar nog een zoon te laten krijgen. En Sara was ook al 90 jaar dus dat is ook niet mogelijk.
Daarom zei Abraham tegen God: “Laat Ismaël liever uw gunst genieten.” Hiermee ging God niet akkoord. Sara zal een zoon baren en hij zal Isaak heten.
Abraham besneed zijn zoon Ismaël en iedereen die in zijn huis geboren was of die hij gekocht had (enkel mannen).

De heer op bezoek bij Abraham
De HEER verscheen eens bij Abraham bij de eik van Mamre. Hij vertelde Abraham dat hij volgend jaar rond deze tijd terug zou komen en dan zal Sara een zoon hebben. Abraham en Sara waren al bejaard. Sara moest hier ook om lachen. Ze vroeg zich bij zichzelf af of ze op deze leeftijd nog wel een kind zou kunnen krijgen. De HEER verweet Sara dat zei ermee had gelachen.

De geboorte van Isaak
Zoals de HEER had gezegd, werd Sara zwanger en schonk ze Abraham een zoon: Isaak. Zoals het hoorde besneed Abraham zijn zoon toen hij 8 dagen oud was. Sara was natuurlijk heel gelukkig dat zij Abraham toch nog een zoon had kunnen schenken.

Hagar en Ismaël
Op de dag dat Isaak van de borst werd genomen, gaf Abraham een groot feest. Maar Sara zag Ismaël (de zoon van de Egyptische Slavin Hagar en Abraham) met haar zijn Isaak lachen. Dus Sara zei tegen Abraham dat hij Hagar en Ismaël moest verlaten, want Ismaël had helemaal geen recht op de erfenis, Isaak zou de erfenis niet moeten delen met de zoon van een slavin.
Abraham vond dit zeer ongepast, het ging tenslotte over ook een zoon van hem. God zei tegen Abraham dat hij zijn vrouw moest gehoorzamen. Want zij die van Isaak afstammen zullen gelden als uw nageslacht. Maar ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk maken, omdat ook hij een kind van u is.
Abraham stuurde dus Hagar en Ismaël weg en voorzag hen van brood en water.
Hagar en Ismaël geraakte echter verdwaald in de woestijn. De waterzak was leeg en Hagar dacht dat Ismaël zou gaan sterven. Ze huilde luidkeels.
God hoorde het wenen van de jongen en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar: “Wat is er Hagar? Wees niet bang, want God heeft in zijn verblijf het wenen van uw kind gehoord. Sta op, neem de jongen en houd hem goed vast, want Ik zal een groot volk van hem maken.”
God opende de ogen van Hagar, toen kon zij een waterput zien. Ze vulde de zak weer met water en gaf Ismaël te drinken. God beschermde de jongen.

De beproeving van Abraham (Het offer van Isaak)
God stelde Abraham op de proef. Hij zei tegen Abraham dat hij met zijn zoon Isaak naar het land van de Moria moest gaan en hem daar op de berg die Hij hem zal aanwijzen moest brandofferen.
De volgende ochtend zadelde Abraham zijn ezel en hij nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee. Hij kloofde hout voor het brandoffer. Daarna ging hij op weg naar de plaats die god hem aangewezen had.
Toen Abraham op de derde dag de plaats waar hij moest zijn in de verte zag liggen, zei hij tegen de knechten dat hun hier moesten blijven bij de ezel. Abraham ging met Isaak naar de plaats. Abraham liet zijn zoon het hout voor het brandoffer dragen. Abraham droeg het vuur en het offermes.
Isaak vroeg aan Abraham waar het offerdier was, want ze hadden wel hout en vuur en het mes, maar ze hadden geen offerdier bij. Abraham zei dat God zelf wel voor het offerdier zou zorgen.
Ze bereikten de aangewezen plaats en Abraham bouwde een altaar, stapelde het hout op en bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, bovenop het hout. Toen Abraham zijn hand uitstak naar het mes om zijn zoon te offeren, riep de engel van de heer hem vanuit de hemel toe: “Abraham, Abraham, raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat u God vreest, want u hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden.”
Abraham keek om zich heen en zag een ram die met zijn hoorns in het struikgewas vastzat. Hij nam de ram en gebruikte die als brandoffer.
Omdat Abraham zijn enige zoon aan God wou offeren, beloofde God hem overvloedig te zegenen en zijn nakomelingen even talrijk te maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het strand van de zee. Zij nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten. Om zijn zaad zullen alle geslachten van de aarde zich gezegend noemen, omdat hij naar de stem van God had geluisterd.

De begrafenis van Sara
Het huwelijk van Isaak
Isaak huwt Rebekka (zie Isaak)

Dood van Abraham
Abraham werd 175 jaar oud. Zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem in de grot van Mekpela.

Vindplaats verhalen Abraham in de Bijbel

De voorvaderen van Abram
Gen 11, 10-32
De roeping van Abram
Gen 12, 1-9
Abram en Sarai in Egypte
Gen 12, 10-20
Abram en Lot
Gen 13, 1-18
Abram en Melchisedek
Gen 14, 1-24
Gods verbond met Abram
Gen 15, 1-21
Ismaël en Hagar
Gen 16, 1-16
De besnijdenis
Gen 17, 1-27
De HEER op bezoek bij Abraham
Gen 18, 1-15
Abrahams voorbede
Gen 18, 16-33
De verwoesting van Sodom
Gen 19, 1-29
Lot en zijn dochters
Gen 19, 30-38
Abraham en Sara in Gerar
Gen 20, 1-18
Geboorte van Isaak
Gen 21, 1-7
Hagar en Ismaël
Gen 21, 8-21
Abraham en Abimelek
Gen 21, 22-34
De beproeving van Abraham
Gen 22, 1-19
Nakomelingen van Nachor
Gen 22, 20-24
De begrafenis van Sara
Gen 23, 1-20
Het huwelijk van Isaak
Gen 24, 1-67
Nakomelingen van Abraham
Gen 25, 1-6
Dood van Abraham
Gen 25, 7-11
Bron: De Bijbel - Willibrordvertaling schooleditie

Situering plaatsen

migration abraham.jpg
bron: http://www.studylight.org/se/maps/browse.cgi?st=25
Context waarbinnen de verhalen gesitueerd zijn, is deze van het semi-nomadisch bestaan (veehoudende tentbewoners).
Oer/Ur
Ur is de stad waarvan verteld wordt dat 'Abraham er geboren is'. Het was de hoofdstad van het oude Sumer: een grote, welvarende stad gelegen in het oosten van de Eufraat. Het nam een gunstige positie in halverwege de Perzische Golf en stedelijke centra zoals Babel. Het lag ook erg strategisch aan de grote handelsroute, en open voor zeevaarders uit Egypte, Ethiopië en India.
De grote handelsweg van Ur liep in de tijd van Abraham langs de rand van de woestijn langs de vruchtbare halve maan via Haran. Er was een kortere weg naar het westen via de woestijn. Zo ontstonden steden als Mari en Palmyra. Maar in de tijd van Abraham was de route naar Kanaän via Haran de enige route, men had nog geen lastdieren zoals kamelen die de lange trip door de woestijn konden doorstaan.
Ur was bovendien een belangrijk godsdienstig centrum, er werden vele goden vereerd. De ‘ziggurat’ was gewijd aan de cultus van de maangod Nanna, die ook werd aanbeden in Haran. Ook ‘Sin’, een maangod werd er aanbeden. De stad wordt in de Bijbel “Ur der Chaldeeën” genoemd.
Twijfels:
Recente geleerden hebben twijfels geuit over deze zuidelijke ligging voor Ur:
- De Chaldeeërs waren gerelateerd aan de Arameeërs, en konden niet in het zuidelijk Mesopotamië doordringen tot ongeveer 900 voor Christus.
- Een Elba tablet verwijst naar "Ur in Haran."
- Er bestond op verschillende plaatsen een stadje met de naam 'Ur'.
- Als Ur waren gevestigd was in Zuid-Irak, waarom zou Abraham bijna 100km ver reizen? Naar Haran? (Haran is 16km ten noorden van de Syrische grens in Turkije gelegen.)
- De namen van een aantal van de familieleden van Abraham, zoals Peleg, Serug, Nahor en Terah, lijken op namen van steden in de regio van Haran.
- Na het werken voor Laban, vluchtte Jakob over de Eufraat terug naar Kanaän. Als Ur in het zuiden van Mesopotamië was, dan zou Jakob de Eufraat niet overgestoken moeten zijn. Men vertelt dat Laban leefde in Paddan-Aram, in de streek van Haran. Dit gebied lijkt in hetzelfde gebied te zijn als Aram-Naharaim, Abraham thuisland.
Haran
Haran is een belangrijke stad tijdens de periode van de aartsvaders:
  • Therah (vader van Abraham) en zijn familie verhuizen van Ur naar Haran.
  • Het is de plaats waar de Abraham zijn roeping krijgt om naar Kanaän te trekken.
  • Isaak leert Rebecca kennen bij de bron van de stad.
  • Jakob vlucht naar Haran, waar zijn oom Laban woont, nadat hij het eerstegeboorterecht van zijn broer Esau heeft afgenomen.
  • Jakob trouwt er met Lea en met Rachel.

Net zoals Ur, was Haran ook een belangrijke stad in strategische opzicht. Het was een centrum van Mesopotamische culturen; het lag op het kruispunt van de weg van Damascus naar Ninive en Karkemish. In deze stad stonden de grootste tempels ter ere van de god Sin.
Sichem
Het bijbelse Sichem is nu gekend als Nablus. De stad lag tussen de bergen Ebal en Gerizim, vlak bij Samaria.
Sichem was de eerste plaats waar Abraham stopte nadat hij Kanaän was binnen gekomen. Hij richtte er een altaar op voor de Heer.
Nadat de Israëlieten Kanaän hadden veroverd, riep Jozua de stammen van Israël bij elkaar in Sichem en liet ze trouw zweren aan God. Ook werd Kanaän onder de verschillende Israëlitische stammen verdeeld. Sichem werd aan de stam van Efraïm toegewezen. De stad werd belangrijk binnen Israëm omdat ze dicht bij Bethel en Silo (= twee heilige plaatsen) lag.
Na de dood van Salomo, verzamelden de stammen van Israël zich in Sichem om Rechabeam tot koning te zalven. De noordelijke stammen eisten wel dat Rechambeam dwangarbeid afschafte en de belastingen verlaagde. De nieuwe koning weigerde tegemoet te komen aan de eisen van het noorden en zo geschiedde dat de tien noordelijke stammen (waaronder Efraïm) zich afscheidden van de zuidelijke stammen. O.l.v. Jerobeam werd het noordrijk Israël opgericht en Sichem werd de eerste hoofdstad van dit nieuwe koninkrijk. Toen later koning Omri, Saramia tot hoofdstad maakte, moest Sichem aan belang inboeten.
In 722 v. Chr. viel Israël in handen van de Assyriërs en moest Sichem in het lot van Samaria delen.
Hebron
Ongeveer 16 km ten zuiden van Betlehem ligt Hebron, waar zowel joden als moslims Abraham vereren. Voor beide religieuze groepen is Hebron met het graf van Abraham een heilige plaats, maar het is ook de plak voor botsingen tussen de twee groepen. Het feit dat op een stuk van de plaats waar Abraham ligt begraven nu een moskee staat, heeft hard meegespeeld in dit conflict. Vroeger stond er immers een synagoge.
Hebron wordt gedomineerd door het graf van de aartsvaders; even buiten de stad bevindt zich de Grot van Machpela. Abraham had deze grot gekocht van Efron de Hettiet en begroef er Sara. Uiteindelijk werden alle aartsvaders en hun vrouwen op deze plaats begraven: Abraham & Sara, Jacob & Lea en Rachel, Isaak & Rebecca.
800 jaar na Abraham werd David tot koning van Israël benoemd in Hebron. Koning David regeerde in deze stad tot Jeruzalem werd veroverd en dat de hoofdstad werd.

Isaak

Isaak is de tweede aartsvader, hij is de opvolger van Abraham. Hij is ook de enige zoon die Abraham kreeg bij Sara. Isaak is dan weer de vader van Jacob en Esau.

Omdat Isaak het enige kind was van Abraham en Sara, was Sara in de wolken met haar zoon. Ze stond er zelfs op dat Abraham Hagar (de slavin waarmee Abraham een kind had) en Ismaël (het kind van Abraham en Hagar) te verbannen. Op deze manier bleef Isaak over als enige erfgenaam.

Een belangrijk en bekend verhaal is het offer van Isaak. Abraham kreeg de opdracht om zijn zoon te offeren, maar kort voor Abraham Isaak wou offeren, kwam er een engel tussen die hem dit heeft veboden. Op deze manier wist God dat Abraham alles zou doen voor God.

Isaak was getrouwd met Rebekka. Rebekka was ook eerst onvruchtbaar, dus Isaak vroeg God om haar vruchtbaar te maken. Rebekka werd zwanger. Maar toen de kinderen in haar schoot tegen elkaar stootten, dacht ze: “Alshet zo gaat, wat staat mij den te wachten?”

Ze raadpleegde de HEER. De HEER sprak tot haar: “Twee volken zijn het die u draagt; twee volksstammen die al in uw schoot uiteengaan.Een van de twee zal machtiger zijn: de oudste zal dienstbaar zijn aan de jongste”.

Zo gebeurde het dat Rebekka beviel van een tweeling. Esau werd eerst geboren en daarna Jakob. Jakob zal dus veel machtiger zijn dan Esau. Jakob zal dus Isaak opvolgen als aartsvader, niet Esau.


Isaak is de enige stamvader/aartsvader waarvan de naam niet werd gewijzigd. Ook nog een belangrijk aspect hierbij, is dat Isaak de enige is van de aartsvaderen, die Kanaän niet heeft verlaten. Hij heeft dit wel eenmaal geprobeerd, maar werd door God teruggeroepen.

Jakob

Jakob, Jacob,later ook Israël genoemd, is in de Tenach en de Bijbel de derde aartsvader, de kleinzoon van Abraham en de zoon van Isaäk en Rebakka. Hij is de stamvader van de Israêlieten, waarvan de oorsponkelijke twaalf stammen uit zijn twaalf zoons ontstaan zijn.
Levensloop
Jakob was er een van een tweeling, de andere helft was zijn broer Esau,die als eerste ter wereld kwam. Jakob hield bij zijn geboorte de hiel van Esau vast en dat was de reden waarom hij Jakob werd genoemd, wat 'hij volgde' betekent en ook het woord 'hiel' bevat.
Alhoewel Esau als eerstgeborene was voorbestemd om Isaäk op te volgen, had God van tevoren reeds meegedeeld dat de zaken anders lagen en Jakob de opvolger moest zijn.
De Bijbel vertelt twee episodes waarin Jakob zich met list de rechten van de eerstgeborene toe-eigende. Na afloop van een jachtpartij waaraan Esau had deelgenomen (Esau was in tegenstelling tot zijn broer een man die van jagen hield, Jakob was meer een huiselijktype),gaf Jakob zijn vermoeide en hongerige broer een kop linzensoep, op voorwaarde dat hij in ruil daarvoor het eerstgeboorterecht kreeg. Esau ging hiermee akkoord.
Later bedroog Jakob zijn slechtziende vader Isaäk, door zich, met hulp van zijn moeder Rebekka, met geitenvellen te vermommen en zich uit te geven voor Esau, om zo de zegen te ontvangen die aan de eerstgeborene toekwam. Esau kwam hier later achter en werd zo woedend dat Jakob in allerijl moest vluchten naar zijn oom Laban in Mesopotamië.
Op zijn vlucht had Jakob een droom waarin hij engelen van de aarde via een ladder naar de hemel zag opklimmen en weer afdalen, en waarin God, bovenaan de ladder staande, het land Kanaän aan hem en zijn nageslacht beloofde. Jakob noemde die plek daarom 'Bethel', hetgeen 'Huis van God' betekent.
In Mesopotamië trouwde Jakob met Lea,en later met Rachel, beiden dochters van zijn oom Laban. Dit ging echter niet zonder slag of stoot. Hij moest eerst zeven jaar werken voordat hij met Rachel mocht trouwen. Zijn oom bedroog hem echter en liet hem Lea huwen. Laban wenste dat Jakob eerst de bruiloftsweek met Lea zou doorbrengen. Daarna kreeg hij ook Rachel, maar alleen omdat hij zich ertoe verplichtte nog eens zeven jaar voor Laban te werken.
Hierna keerde hij terug naar Kanaän. Aangekomen bij de __
Jabbok, een zijrivier van de Jordaan, liet Jakob zijn familie en personeel de rivier oversteken. Zelf bleef hij achter om wat zaken te regelen. Ook zag hij ertegenop naar de overkant te gaan, omdat hij daar zijn broer Esau zou treffen en niet wist hoe deze hem zou ontvangen.

Jozef



Het laatste deel van het boek Genesis gaat over Jozef. Hij is de oudste zoon van Jakobs geliefde vrouw Rachel en wordt door zijn vader voorgetrokken. De broers haten hem daardoor en verkopen hem als slaaf. Ze vertellen hun vader dat Jozef door een leeuw verscheurd is. Jozef wordt naar Egypte gevoerd en komt als slaaf in het huis van Potifar, een hoveling van de farao. Hij brengt het daar tot een leidinggevende functie.
De vrouw van Potifar probeert Jozef te verleiden. Jozef verzet zich daartegen. Als Jozef van de opdringerige vrouw wegvlucht, trekt ze zijn kleed van hem af. De vrouw gebruikt dat als bewijs dat Jozef probeerde haar te verkrachten. Potifar gooit Jozef in de gevangenis.
Ook in de gevangenis krijgt Jozef al spoedig een leidinggevende taak. Op een dag worden de opperschenker en de opperbakker van de farao beschuldigd van een politiek misdrijf en in de gevangenis geworpen. Ze hebben in de gevangenis een droom en Jozef kan hen die droom uitleggen. Hij voorspelt dat de schenker in zijn ambt hersteld zal worden en dat de bakker de doodstraf krijgt. Deze voorspelling komt uit.
Twee jaar later heeft de farao een droom die niemand hem kan uitleggen. De schenker wijst hem op Jozef, die nog steeds in de gevangenis zit. Jozef wordt gehaald. Hij legt de droom van de farao uit: er zullen eerst zeven jaar overvloed komen en daarna zeven jaar hongersnood. Bovendien geeft Jozef adviezen. De farao benoemt Jozef tot grootvizier en laat alle staatszaken aan hem over.
Jozef zorgt ervoor dat de graanschuren in de jaren van overvloed gevuld worden. Daarna begint de tijd van hongersnood. Deze heerst ook in het land Kanaän, waar Jakob woont. Na twee jaar komen Jozefs broers naar Egypte om graan te kopen. Alleen Jakobs lievelingszoon Benjamin blijft thuis, omdat Jakob zijn leven niet op het spel wil zetten. Jozef herkent zijn broers, maar de broers herkennen hem niet en Jozef maakt zich niet bekend. Hij beschuldigt de mannen van spionage. Simeon wordt gevangengezet. Jozef beveelt de anderen terug te gaan naar huis en de volgende keer hun kleine broertje Benjamin mee te brengen. Hij geeft hun voldoende graan mee en geeft hun stiekem ook hun geld terug.
Na enige tijd reizen de broers weer naar Egypte. Jakob staat met tegenzin toe dat Benjamin ook meegaat. Jozef laat Simeon uit de gevangenis halen en ontvangt de broers hartelijk. Daarna stuurt hij ze met gevulde graanzakken naar huis, maar hij laat zijn beker in de zak van Benjamin verbergen. Kort na hun vertrek stuurt Jozef zijn huismeester achter de broers aan om de beker te zoeken. De beker wordt in de zak van Benjamin gevonden. Benjamin wordt gevangengenomen. De broers keren in rouw naar de stad terug. Juda houdt voor Jozef een pleidooi, waarin hij zijn eigen leven aanbiedt als Benjamin maar tot zijn vader mag terugkeren.
Het is Jozef nu duidelijk dat het karakter van zijn broers veranderd is. Hij maakt bekend dat hij Jozef is, en hij nodigt Jakob uit om in Egypte te komen wonen, in de streek Gosjen, waar het beste van het land Egypte voor hem zal zijn.


bronnen Isaak,Jakob en Jozef: www.wikipedia.be